Woningen die bestand moeten zijn tegen langdurige piekbuien: de dilemma’s
Verslag van de bijeenkomst van de KAN praktijkgroep ‘extreme buien’, 22 juni 2026, en aanvullend gesprek met Martijn van Gelderen – door René Didde.
Het is genoegzaam bekend dat het klimaat verandert. We krijgen steeds meer te maken met langere perioden van droogte zoals in april dit jaar, hitte zoals in juni, en ook met extreme buien. De Valkenburgramp van 2021 en de overstromingen in Enschede in 2024 lopen het risico geen zeldzame uitzondering te zijn.
Rond de kwestie van de langdurige piekbuien lopen verschillende experts zich warm, om te komen tot normen, eisen en werkbare kaders die de veiligheid waarborgen, en waar ontwerpers en bouwende bedrijven mee uit de voeten kunnen. Het beste is als er consensus bestaat tussen de overheid en de markt. Dat is een puzzel. Want er zijn meerdere overheden betrokken en een extreme regenbui werkt ook op verschillende schaalniveaus.
De kleinste schaal is de kavel waar het gebouw op komt te staan. Daar gaan in eerste instantie de projectontwikkelaar en de bouwer over. Een stap verder in zo’n piekbui en je bent op straat, met rioleringen en groenvoorzieningen, kortom de wijk. Dat is het domein van de gemeente. Op een nog grotere schaal speelt het peilgebied en de dijkveiligheid die de extreme buien moeten opvangen en daar zwaait vooral het waterschap de scepter.
Standaardisering
De wisselwerking tussen verschillende schaalniveaus en de verschillende overheidsloketten werd al gesignaleerd op de Woontop van december 2024. Daar stond vooral de versnelling in de bouwopgave naar 100 duizend woningen per jaar centraal, en dat twee derde van die woningen ‘betaalbaar’ moeten zijn voor mensen met een laag inkomen of middeninkomen.
Minder in het geheugen gegrift zijn de toen genoemde gevolgen van langdurige extreme regenval. Verschillende ministeries gaven aan dat er een standaardisering moest komen op twee thema’s (van de totale Nationale Maatlat), namelijk piekbuien, inclusief de langdurige piekbuien (24 of zelfs 48 uur) en ook bodemdaling.
Sindsdien kwamen al vijf keer verschillende experts samen, de laatste keer op 6 mei 2026 op initiatief van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Binnenlandse Zaken. In de tijdelijke KAN-praktijkgroep ‘extreme buien’ wil Claudia Bouwens, programmaleider van KAN, nu met experts uit de praktijk achterhalen welke lessen te trekken zijn uit de ervaringen tot nog toe. “Hoe worden extreme buien doorgerekend? Welke eisen gelden in de verschillende nieuwbouwprojecten en wat kunnen we daarvan leren”, aldus de uitnodiging van het KAN platform.

Overdimensioneren
Bij deze eerste bijeenkomst zijn een twaalftal experts aanwezig, waaronder Martijn van Gelderen, strategisch adviseur omgevingskwaliteit bij BPD. De grote projectontwikkelaar heeft hem min of meer vrijgesteld voor de complexe materie van de langdurige piekbuien. Veel andere projectontwikkelaars huren expertise in voor hun projecten. Van Gelderen zegt in zijn voordracht geen oplossingen te geven maar wel de dilemma’s te willen benoemen waar je als ontwikkelaar mee te maken krijgt. Een belangrijk aandachtspunt is om een balans te bevinden tussen het beperken van de schade van extreme piekbuien en anderzijds, om niet tegen hoge kosten een kavel en wijk onnodig te overdimensioneren.
Vier dilemma’s
Langdurige piekbuien zijn hele technische materie en er is geen eenduidigheid. ‘Soms gaat het over extreme buien van 40 mm tot 70 mm. Die kunnen vaak op de kavel worden opgevangen’, zegt Van Gelderen. Bij langdurige piekbuien gaat het over 120 mm in 24 uur of 130 mm in 48 uur. ‘En dan moet je ook uitgaan van statistiek die zegt dat dergelijke buien eenmaal per 100 jaar voorkomen.’
Het probleem met die langdurige piekbuien is dat ontwikkelaars tot ver buiten hun projectgrens moeten kijken: de straat, de wijk of de hele polder. ‘En daarmee komen ze op het terrein van de gemeente of het waterschap, die naar het totale watersysteem kijken’, licht Martijn van Gelderen toe.
Dilemma 1 en 2: criteria en kostenverdeling zijn nog niet helder; op welk schaalniveau zijn de investeringskosten het meest efficiënt, en hoe verdeel je die kosten?
Dit alles brengt heel nieuw jargon op het bordje. Ontwikkelaars krijgen te maken met criteria waarvoor nog geen heldere definities bestaan. Formeel moeten ze woningen opleveren waarbij geen water in de woningen kan komen. Maar een langdurige bui kan ook schade aan de straat, auto’s of openbaar groen veroorzaken. En hoe lang mag dat water op straat staan? ‘Hoe erg is het’, vraagt Martijn zich af, ‘dat twee keer per jaar een voetbalveld in de buurt onder water loopt. De schade daaraan is zeer waarschijnlijk minder dan de investeringen die wij zouden moeten treffen in de nieuwbouw.’
En de daaruit voortvloeiende vraag die hij voorlegt: ‘Is het dan efficiënt om vele dure maatregelen in of onder of op de huizen of in de wijk te treffen, of is het kostentechnisch en maatschappelijk gezien efficiënter dat het waterschap de pompcapaciteit van het gemaal vergroot?’ En dat raakt weer aan het uiteenlopende normenkader van waterschappen over de maximale stijging van het waterpeil (de ‘toetshoogte’) in de boezem van het stelsel en daarmee aan de stevigheid van de dijk. Een waterschap besluit dan tot stoppen met water uit het systeem pompen (‘maalstop’). Maar wie moet het probleem dan oplossen?
Dilemma 3: ‘Als het de dag vóór zo’n extreme bui al geregend heeft, is het systeem al een beetje gevuld met water (‘voorvulling’). En stel dat er in de buurt van het nieuwbouwproject een waterbergingsproject wordt gerealiseerd. Ontlast dat de wijk en mag je dat meetellen? Moet je dat als projectontwikkelaar meenemen in de hydrologische berekeningen voor het bouwproject? En als er water uit de openbare ruimte naar een privé-terrein loopt, is dan de gemeente niet aansprakelijk? Want zij is immers verantwoordelijk voor het hemelwater’, aldus Van Gelderen.
Dilemma 4: Ook blijkt dat waterschappen nogal verschillend aankijken tegen een kavelmaatregel als een groen dak, constateert hij. ‘Het ene waterschap telt het mee als waterberging, het andere niet.’
Uit deze projecten blijkt dat uniforme maatregelen geen soelaas bieden, wel een gereedschapskist vol met maatregelen waaruit men kan putten.
Uitgangspunten zijn ‘under construction’
Kortom, uniforme uitgangspunten zijn nog erg ‘under construction’, zo blijkt ook uit een viertal casussen in Zuid-Holland (uitgevoerd door Waalpartners en Waterfeit) en het project Holland Park west in Diemen (uitgevoerd door Merosch en Hydrotwin Engineering). Dat laatste gebied (4,3 ha w.v. 70% verhard van het uitgeefbare gebied) is ontworpen op ‘geen schade in de woning bij een bui van 70 mm en minstens 50 mm berging op privaat terrein’. Polderdaken met ingenieuze krattensystemen op halfopen parkeergarages realiseren die waterberging. Tijdelijk 5 cm water op straat (tot de stoeprand) helpt mee en er is tien procent van het areaal aan oppervlaktewater gegraven waarop kan worden afgewaterd. Deze constructie weerstaat een extreme piekbui van 130 mm in 48 uur, zonder dat er schade ontstaat.
In Zuid-Holland gelden heel andere omstandigheden. Het ene project kan gemakkelijk afvoeren op oppervlaktewater, het andere project is het diepste punt van een badkuip en kan nergens heen. ‘Uit deze projecten blijkt dat uniforme maatregelen geen soelaas bieden, wel een gereedschapskist vol met maatregelen waaruit men kan putten’, aldus Martijn van Gelderen. Later dit jaar komen er nog resultaten van projecten in hoger en zandiger gelegen Nederland, waar blijkt dat de infiltratie in de overwegend zandgrond weer heel andere hydrologische resultaten geven.
Landelijke normering of een flexibele gebiedsgerichte aanpak?
Hij waarschuwt vooral voor het gevaar van overdimensionering doordat de verantwoordelijkheden zelfs al bij de uursbuien niet goed worden verdeeld tussen projectontwikkelaar, gemeente en waterschap. Hij stelt ook vragen bij de statistische benadering. ‘Waterschappen hebben kaarten met een regionaal (beschermings)niveau van het watersysteem voor piekbuien die eens in de honderd jaar plaatsvinden (‘de toetshoogte’). Is het niet een slimme optie dat de waterschappen die kaarten openbaar maken. Dan gaan wij als projectontwikkelaars met ons bouwpeil daar simpelweg iets boven zitten. De vraag is dus, aldus Martijn van Gelderen, of een landelijke normering wel nodig is en of een flexibele gebiedsgerichte aanpak niet volstaat. De kans bestaat in elk geval dat het meenemen van de langdurige piekbuien ervoor zorgt dat de waterbergingsopgave bij woningbouwprojecten fors toeneemt.