Tieman volgt RIVM-advies over gebruik grijswater en hemelwater
Op 27 januari heeft Minister Tieman (IenW) de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken bij een aantal onderwerpen in het waterdomein. In de 27 pagina’s tellende verzamelbrief gaat hij onder andere in op de ontwikkelingen rond de Kaderrichtlijn Water, het gebruik van grijs- en/of hemelwater voor toiletspoeling, en de voortgang van de Maatlat.
Na een update over waterkwaliteit en de Kaderrichtlijn Water in het licht van de Europese wetgeving geeft de minister een beleidsappreciatie van het RIVM rapport “Inventarisatie van de mogelijke gezondheidsrisico’s en beheersmaatregelen bij het gebruik van hemelwater en/of grijs water in de gebouwde omgeving”. Deze inventarisatie is uitgevoerd naar aanleiding van aanbevelingen uit het rapport ‘Hemel- en grijswatergebruik in het gebouw. Mogelijke verplichting in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)’ [link naar document werkt niet meer, red.] waar het KAN platform eerder al kritisch op reageerde.
De minister schrijft nu: “De conclusie van het RIVM is dat, hoewel het gebruik van huishoudwater bijdraagt aan het verminderen van het drinkwaterverbruik, er momenteel onvoldoende maatregelen van kracht zijn voor het ontwerp, de aanleg en het beheer van een huishoudwatersysteem om mogelijke risico’s, zoals foutaansluitingen tussen het huishoudwater- en drinkwatersysteem, volledig uit te sluiten. Daarom wordt aanbevolen om dit soort systemen nu niet in het Besluit bouwwerken leefomgeving te verplichten. Ik neem deze conclusie en aanbeveling over.”
Daar voegt de minister aan toe dat er stappen worden gezet om dit in de toekomst wellicht wel mogelijk te maken. Daarvoor worden met de ILT afspraken gemaakt om pilotprojecten te monitoren, zodat (positieve) ervaringen en resultaten kunnen worden gebruikt om te onderbouwen of opname in wet- en regelgeving verantwoord is.
Klimaatadaptatie in gebiedsontwikkelingen
Dan gaat de minister in op de kloof tussen enerzijds de urgentie om ‘rekening te houden met’ het water- en bodemsysteem, en anderzijds het financieel instrumentarium dat bij gebiedsontwikkeling gebruikt wordt. “Langere termijn kosten en opbrengsten en daarmee de maatschappelijke gevolgen [spelen] nauwelijks of geen rol in de besluitvorming.” Om tot betere besluitvorming te komen is een planeconomisch onderzoek uitgevoerd: “Bouwstenen uit de theorie en praktijk om water en bodem te borgen in gebiedsontwikkelingen”.

De minister schrijft: “Uit dit onderzoek blijkt dat het anders gebruiken van bestaand (financieel) instrumentarium de mogelijkheden geeft voor het rekening houden met het water- en bodemsysteem. Decentrale overheden vervullen hierin een cruciale rol. Door tijdig inzichtelijk te maken welke water- en bodemmaatregelen op een specifieke bouwlocatie nodig zijn, hebben projectontwikkelaars beter zicht op initiële meerkosten, kunnen werkzaamheden slim worden gecombineerd en is het mogelijk investeringen naar voren te halen. Dit voorkomt financiële risico’s voor de langere termijn, en versnelt de woningbouw door discussie en vertraging te voorkomen.”
Toetsen landelijke maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving
De Kamer heeft via motie Peter de Groot c.s. in oktober 2024 aan de regering verzocht te toetsen of het rekening houden met water en bodem de woningbouwopgave niet onevenredig bemoeilijkt. De ministeries van IenW en van VRO hebben onderzocht of het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving (waar te bouwen) en de Landelijke maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving (hoe te bouwen) de woningbouwopgave onevenredig bemoeilijken. Er is gekeken naar mogelijke effecten op locatiekeuze, kosten en baten, en snelheid van de ontwikkeling. Daaruit komen de volgende resultaten naar voren:
- Klimaatadaptief bouwen en het principe van rekening houden met water en bodem zijn niet nieuw: Uit de interviews blijkt niet dat de maatlat en het ruimtelijk afwegingskader woningbouw als zodanig bemoeilijken of daarvoor nieuwe belemmeringen opwerpen. Bovenal zijn deze instrumenten een formalisering en uniformering van een werkwijze die al langer gangbaar was op locaties die uitdagingen kennen ten aanzien van water en bodem.
- Geen directe belemmering aantal woningen: Het totaal aantal te bouwen woningen blijft veelal overeind en is bovendien afhankelijk van meerdere factoren.
- Ruimtelijke keuzes binnen de gekozen locatie kunnen wel veranderen: De inzichten uit het afwegingskader kunnen (indirecte) gevolgen hebben voor de ruimtelijke indeling van een gebied. Dat vertaalt zich bijvoorbeeld in compacter bouwen of op hoger gelegen delen, zeker in gebieden waar extra ruimte nodig is voor water, groen of verkoeling.
- Locatiekeuze niet wezenlijk beïnvloed: Mobiliteit, eigendom en gemeentelijke grenzen zijn de bepalende factoren voor waar gebouwd wordt. Uit de interviews blijkt dat ook voor de introductie van deze landelijke instrumenten al op verschillende manieren werd nagedacht welke woningbouwlocaties vanuit water en bodem het meest geschikt zijn.
- Geen vertraging, mits tijdig toegepast: Het effect van deze instrumenten op de snelheid van het planproces is niet eenduidig. Wel blijkt dat vroegtijdige inzet van de instrumenten vertraging later in het proces voorkomt.
- Hogere investeringskosten en lagere beheer- en onderhoudskosten voor een toekomstbestendige leefomgeving. Uit de interviews blijkt dat kosten aan de voorkant van een ontwikkeling hoger kunnen zijn op locaties die een opgave hebben ten aanzien van water en bodem, bijvoorbeeld omdat daar meer vooronderzoek en afstemming nodig is, en maatregelen in het ontwerp moeten worden opgenomen. Gemeenten verwachten daarentegen dat dergelijke investeringen in klimaatadaptiviteit zich later terugbetalen in de vorm van onder andere lagere beheers- en onderhoudskosten.
“Dit neemt niet weg dat woningbouwprojecten gevolgen kunnen ondervinden van lokale water- en bodemopgaven, bijvoorbeeld om verzakkingen of wateroverlast te voorkomen. Via de uitwerking van de Woontopafspraak over water en bodem zet het kabinet daarom in op uniforme kaders, duidelijke en vroegtijdige afspraken daarover, en wordt handelingsperspectief geboden door middel van innovatieve ontwerpconcepten,” aldus de minister.
Verzamelbrief water januari 2026
Bijlage: Kosten klimaatbestendige nieuwbouw