Minister Karremans informeert Kamer over Ontwerp-NAS 2026
Klimaatverandering heeft grote gevolgen voor onze leefomgeving, onze gezondheid en de
economie. In de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) staat hoe Nederland zicht aanpast aan het veranderende klimaat. De huidige NAS dateert van 2016, maar vanwege het tempo van de klimaatverandering en voortschrijdend inzicht binnen de Rijksoverheid komt er een nieuwe versie, NAS ’26, waarin we vooruitkijken naar 2100 en de lange termijn ambities duidelijk worden.
De minister schrijft: “Deze Ontwerp-NAS is de inhoudelijke reactie op het PBL-rapport Voorbij de risico’s: keuzes voor een klimaatbestendige leefomgeving. De definitieve NAS verschijnt naar verwachting eind 2026.” Het betreft een rijksbrede strategie, bedoeld om Nederland weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering. Met NAS ’26 voldoet Nederland straks ook aan de Europese Klimaatwet, die verplicht tot het opstellen, actueel houden en uitvoeren van nationale adaptatiestrategieën en plannen.
Passende Beoordeling MER
De brief van de minister bevat een flink aantal bijlagen. We willen er hier twee uitlichten: het Milieueffectrapport (MER) van Movares en de Passende Beoordeling daarvan. Om met het laatste rapport te beginnen: een aantal beleidskeuzes in de NAS kunnen, afhankelijk van de precieze invulling, nadelig uitpakken voor de Natura 2000-gebieden. Het lijkt mogelijk om deze maatregelen zodanig uit te voeren dat ze niet zullen leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden, maar dit vraagt wél om bijzondere aandacht bij de uitwerking. Dit zijn dan de belangrijkste beleidskeuzes:
- Grond- en oppervlaktewatersysteem zodanig inrichten dat het weerbaar is tegen de gevolgen van droogte en watertekort;
- Land- en watergebruik zodanig inrichten dat het weerbaar is tegen de gevolgen van droogte en watertekort, in samenhang met wateroverlast en waterkwaliteit;
- Maatregelen in het hoofdwatersysteem en regionale watersystemen;
- Het watersysteem wordt ingericht zodat het de gevolgen van extreme regen zoveel mogelijk beperkt. In de maatregelen wordt een balans gezocht om zowel droogte als wateroverlast te beperken;
- In 2050 zijn de mobiliteitsnetwerken weerbaar tegen extreem weer;
- Rekening houden met natuurlijke, geografische én technische grenzen en mogelijkheden binnen het hoofdvaarwegennet om zo de bevaarbaarheid te bevorderen;
- Binnen de keuzes voor exploitatie of vernieuwing van bruggen, sluizen en vaarwegen wordt er gekeken naar hoe deze ook in de toekomst blijven functioneren onder veranderende klimaatomstandigheden.
Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2026 ligt ter inzage
Je kunt tot en met maandag 20 juli 2026 reageren op het ontwerpprogramma Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) en het bijbehorende milieueffectrapport (MER).
Lange termijn blik
De inleiding van de Milieueffectrapportage maakt duidelijk dat dit document een integrale kijk wil bieden op de lange termijn. Er zullen stevige keuzes gemaakt moeten worden, maar de onderliggende principes zijn in zekere zin simpel: kies je voor intensiveren of transformeren? Heel kort door de bocht: intensiveren betekent ‘een tandje erbij, dan gaat het goed tot 2050’ terwijl transformeren de mindset is die je nodig hebt om je aan te passen aan hardere systeemgrenzen.
“Transformeren wordt noodzakelijk zodra natuurlijke systeemgrenzen dominant worden, zoals structurele droogte op zandgronden, verzilting van kleigebieden, bodemdaling in veenweiden of hittestress in steden. Ook wanneer afhankelijkheid van technische systemen (zoals voortdurend pompen en zoetwateraanvoer) structureel de kwetsbaarheid en kosten verhoogt, is transformatie onvermijdelijk. Of wanneer transformeren op de langere termijn onvermijdelijk is, waardoor het niet kosteneffectief is om nu veel te investeren in intensiveren.”
Het juiste antwoord is volgens de auteurs niet of intensiveren of transformeren, maar én én: “De meest robuuste strategie is een adaptieve combinatie: nu starten met no-regret intensiveringsmaatregelen die compatibel zijn met toekomstige transformatie, zoals stedelijke vergroening gekoppeld aan groenblauwe structuren. Tegelijk moeten overstapmomenten naar transformatie gebiedsgericht worden vastgelegd, zodat keuzes niet te laat komen en lock-ins worden vermeden.”

Gebiedsspecifieke conclusies
Het rapport beschrijft gebiedsspecifieke conclusies voor dalende veenweidegebieden, verziltende kleigebieden, verdrogende zandgronden, opwarmende steden, het hoofdwatersysteem en Caribisch Nederland. In elk van deze gebieden spelen andere opgaven en spanningsvelden.
In dalende veenweidegebieden spelen bodemdaling, wateropgaven en CO2-emissie; blijven inzetten op lage waterpeilen zorgt voor behoud van functies maar leidt tot aanhoudende CO2-uitstoot en schade aan woningen en infrastructuur. Vernatting daarentegen biedt integrale kansen, maar vereist het aanpassen van belangrijke functies zoals landbouw.
In verziltende kleigebieden is de watervraag groot en staat de zoetwatervoorziening onder druk; doorspoelen en aanvoer bieden tijdelijk soelaas, maar structureel vraagt dit om keuzes in teelten, zoetwaterverdeling en ruimtelijke inrichting.
Op verdrogende zandgronden komen watertekorten, natuurkwaliteit en drinkwaterbeschikbaarheid samen; vasthouden, infiltratie en extensivering rond kwetsbare natuur bieden perspectief, terwijl intensieve onttrekking lock-ins kan creëren.
In opwarmende steden zijn hittestress, gezondheid en leefomgevingskwaliteit leidend; vergroening en water in de openbare ruimte hebben meervoudige baten, maar vragen om ruimte in een al drukke stedelijke context.
In Caribisch Nederland zijn hitte, droogte, stormen en zeespiegelstijging nog indringender; maatregelen zoals herbebossing, erosiebeheer en bescherming van vitale infrastructuur zijn essentieel.
Sturen op integraliteit
Besluiten die je neemt ten bate van één gebiedstype kunnen elders nadelige effecten veroorzaken, bijvoorbeeld door veranderde zoetwaterverdeling of door verschuivende ruimtedruk. Volgens de auteurs zijn er meerdere voorbeelden die aantonen dat een strategie gebaseerd op ‘overal intensiveren’ niet schaalbaar is. Er moet gestuurd worden op integraliteit, zodat baten en lasten evenwichtig worden verdeeld tussen regio’s en functies. Dat vraagt om gebiedsgerichte combinaties van intensiveren en transformeren en om heldere prioritering in de tijd: wat moet nu, wat kan later, en waar is het verstandig om niet meer te investeren in behoud maar te kiezen voor aanpassing van de functie.
Download: de Kamerbrief, de Milieueffectrapport (MER) van Movares en de Passende Beoordeling