De stad heeft een eigen ecosysteem - KAN bouwen

De stad heeft een eigen ecosysteem

Gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen krijgen veel belangstelling in de bouw. Na lang dralen wordt eind 2026 de wijziging van het Bouwbesluit leefomgeving (Bbl) gepubliceerd. Dat betekent dat het vanaf 1 juli volgend jaar verplicht wordt om te voorzien in nestvoorzieningen in de utiliteitsbouw.

Senior ecoloog Max Klasberg weet daar alles van. Hij stond mede aan de wieg van de Nationale Kennisbank Natuurinclusief Bouwen (NKNB) die een uitputtend overzicht biedt van bewezen maatregelen in de bouw, en ook de wettelijke randvoorwaarden van de Wet Natuurbescherming geeft. Hij heeft natuurinclusief verduurzamen van woningen in Nederland de standaard gemaakt via Soortmanagementplannen (SMP’s). Klasberg is ook gastdocent op Van Hall instituut, Larenstein en de Academie voor bouwkunst.

De lessen van Max Klasberg

  • Voorzieningen voor ‘gebouwbewonende’ soorten als huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen kunnen vaak beter in de inbouw van het buitenblad worden aangebracht, hoewel er ook opbouwoplossingen zijn;
  • Nestkastvoorzieningen vergen landelijke, uniforme regels, want die passen ook beter in de tendens van prefab-bouw;
  • Kies voor de Natuurherstelwet en de soortenmanagement plannen voor een wijkgerichte aanpak.
  • Betrek zowel openbaar groen als individuele tuinen mee in het wijkplan.
  • De referentie voor natuur in de stad is verschoven. Mensen weten niet meer wat huismussen zijn. Waarom zou je ze dan nog willen beschermen?
  • Toch liggen er kansen. De natuur komt op in de stad. Vergroen bijvoorbeeld schoolpleinen. Kinderen komen dan in aanraking met de natuur.
  • Minister van Essen, kom met een subsidie om natuur in de stad te ontwikkelen, zoals agrarisch natuurbeheer boeren prikkelt om bijvoorbeeld voorzieningen voor weidevogels te treffen. Zo’n subsidie is ook gunstig voor klimaatadaptatie, waterhuishouding en gezondheid van bewoners.

Gespreksleider Claudia Bouwens, programmaleider van het KAN platform, wordt vandaag bijgestaan door co-host Louise van de Worp, specialist duurzaamheid en milieu bij Van Wijnen. Zoals altijd noemen de gasten hun favoriete natuurbeleving van de laatste tijd. ‘Dat doen we omdat zo’n anekdote helpt om je bewust te worden van een dagelijkse drijfveer waarom je werkt aan klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen’, legt Claudia Bouwens uit.

Louise van de Worp bezocht met haar kinderen de Stadssafari van Luc Hoogenstein, een meeslepend theatercollege over de natuur in de stad. ‘Ze hingen anderhalf uur aan zijn lippen en kenden al veel vogels’, zegt Van de Worp. Ze woont met haar gezin aan het water. De volgende dag kwam haar zoontje binnen. ‘Hij zei ‘kom mee, er zit een ijsvogel, maar voorzichtig, want er zit ook een rat’. Dat bleek een baby-egeltje, zegt Van de Worp. De familie, inclusief de kinderen, voert sindsdien gesprekken over verdere vergroening van de tuin.

Max Klasberg’s natuurmoment was de grote gele kwikstaart op zijn schuurdakje. ‘Deze vogel figureert in het boek over stadsnatuur dat ik op dit moment schrijf en teken. Het is een prachtige beekvogel die je soms ziet bij oude watermolens en andere historische waterwerken.’

Stadsecoloog
Toen Klasberg rond 2003 bij Arcadis begon was hij de enige stadsecoloog, nu zijn er vijftien in dienst. ‘Er is in het hele veld een tekort aan ecologen. De regelgeving voor natuurinclusief bouwen van de laatste jaren heeft de vraag naar ecologen vergroot in dit vakgebied. En als architecten nog wat meer sturend zouden zijn in natuurvoorzieningen in hun plannen, dan zouden nog veel meer stadsecologen nodig zijn.’

Het industrieel en pre-fab bouwen neemt een vlucht, en dat vraagt landelijke uniformiteit en geen afspraken per provincie of gemeente.

Meer landelijke afspraken, ook over nestvoorzieningen, zijn van belang. ‘Anders dan de vorige minister stelde, is dat niet een kwestie van meer regels, maar minder regels. ‘Namelijk één landelijke regel, in plaats tientallen lokale en regionale afspraken’, zegt Claudia Bouwens. Louise van de Worp voegt toe: ‘Het industrieel en pre-fab bouwen neemt een vlucht, en dat vraagt landelijke uniformiteit en geen afspraken per provincie of gemeente. Lokale eisen vergen specifieke technische details, waardoor projecten stil komen te liggen. Bij industriële en prefab bouwconcepten werk je met gestandaardiseerde elementen en vaste detailleringen.’

Max Klasberg: ‘Moderne huizen zijn goed geïsoleerd, dus er is een koude spouw. Inbouw heeft de voorkeur ten opzichte van opbouw van vleermuiskasten. Dit vanwege de duurzaamheid (ze gaan langer mee) en de temperatuur (beter gebufferd doordat inbouwvoorziening onderdeel uitmaken van de woning zelf). Ook opbouwvoorzieningen kunnen echter goed functioneren. De keuze tussen beide vraagt om een goede afstemming tussen de ontwerper, ecoloog, bouwfysicus en wellicht ook fabrikant.’

Huismussen en gierzwaluwen zijn iets minder kritisch. ‘Die kunnen toe met een nestvoorziening in de opbouw, zoals een vogelgoot op het noorden, zodat het niet te warm wordt’, aldus Klasberg.

Nestvoorzieningen met voldoende V’s
Nu zijn de nestvoorzieningen maar één van de 5 V’s, namelijk voorplanting. Je hebt er vooral wat aan als de andere V’s (voedsel, veiligheid, variatie en verbinding) ook voldoende aandacht krijgen. ‘Het is beter dat opdrachtgevers uitgaan van het bestaande groen, in plaats van verloren groen later weer te compenseren. ‘Als er nieuwbouw gaat plaatsvinden op een braakliggend terrein, is daar al vaak natuur met beschermde soorten die plannen tegenhouden. Dat moeten gemeenten meenemen in ‘soortenmanagement plannen’(SMP’s).’ Gemeenten verrichten daartoe per gebied, wijk of zelfs de hele stad ecologisch onderzoek en nemen maatregelen ter bescherming van de aanwezige diersoorten. Het idee is dat er dan meer natuurvriendelijk kan worden geïsoleerd.’ Daar komt bij dat volgens de Europese Natuurherstelwet in 2030 minimaal dertig procent van de natuur hersteld is.

‘Een wijkgerichte aanpak werkt dan beter’, zegt Max Klasberg. ‘Je kunt openbaar groen, maar ook individuele tuinen meenemen. En soms is daardoor ook uitruil mogelijk. Vleermuiskasten aanbrengen in bestaande bouw is moeilijker dan in nieuwbouw. Dan kun je in bestaande bouw andere voorzieningen treffen, terwijl de nieuwbouw dan compenseert voor vleermuizen.’  Het gaat niet alleen om gebouwbewonende soorten, maar ook om bijvoorbeeld de rugstreeppad in braakliggende terreinen. Volgens Klasberg zijn de woningcorporaties in de gemeente Den Haag goed bezig om de bestaande woningen zoveel mogelijk natuurinclusief te verduurzamen. Er komen soms bijzondere oplossingen aan het licht. ‘Zo kan een niet-verwarmd trappenhuis in een portiekflat van een corporatie gecompenseerd worden met extra voorzieningen in de nieuwbouw verderop.’

Rol van bewoners
Ook de rol van de bewoners is belangrijk. ‘Betegeling van tuinen werkt tegen de natuur. Een grote gemeenschappelijke tuin, soms met een gemeenschappelijke tuinman, kan werken.’ Louise van de Worp ziet dat ook. ‘Zo’n tuin is gemakkelijk ecologisch te beheren, is vaak een ontmoetingsplaats. Je ziet dat bewoners trots zijn dat er een specht zit. Soms zijn er wel bewoners die klagen over vogelpoep. Er liggen ook kansen om uit te leggen dat vleermuizen muggen vangen, dus dat werkt preventief tegen het Westnijlvirus.’

Probleem is wel dat de referentie van natuur in de stad bij bewoners is verschoven. ‘Ik hoorde vroeger de huismussen als ik wakker werd en de zon al op was’, herinnert Claudia Bouwens zich. ‘Maar als er geen heggen en geen huismussen meer zijn, missen mensen die ervaring.’

De natuur trekt zich steeds meer terug in de stad vanuit de intensieve landbouwgebieden. Hier liggen kansen voor projectontwikkelaars.

Toch liggen er veel kansen, meent Klasberg. ‘Het begint ermee om de schoolpleinen te onttegelen en te vergroenen, zodat kinderen daar de natuur leren zien. Want er zit niet alleen natuur in natuurgebieden, op een half uur rijden van de stad. De natuur trekt zich steeds meer terug in de stad vanuit de intensieve landbouwgebieden. Hier liggen kansen voor projectontwikkelaars. Natuurinclusief bouwen werkt ook klimaatadaptief, bijvoorbeeld tegen hittestress.’

Belvédère-terrein
Hij noemt het Belvédère-terrein in Maastricht als een mooi praktijkvoorbeeld. De oudste sporen van menselijke bewoning zijn er gevonden. Het was echter verworden tot een ‘verloederd bedrijventerrein’ van 300 ha in Noord-West-Maastricht. ‘Het was een oude lössgroeve voor bakstenen die later als vuilstortplaats diende. Het SMP voor de herontwikkeling van het gebied rond de oude Sfinx-fabrieken toonde aan dat de zwaar beschermde muurhagedis er leefde. Daar zijn stapelstenen voor aangebracht, ook weer met dezelfde bakstenen. De hagedis werd de ambassadeur voor de herontwikkeling.’

Vooruitblik
Gevraagd naar zijn visie voor natuurinclusief bouwen voor de komende vijftien jaar, zegt Max Klasberg: ‘Begin te erkennen dat de stad een eigen ecosysteem kent net zoals natuurgebieden. Maak gebruik van gidssoorten. Zie je een egel, dan weet je dat er slakken zijn en ook verbindingszones.’

Verder: ‘Een passieve stimulans is dat de wetgeving als een stok kan dienen voor natuurinclusief bouwen, net als het morele, vermanende vingertje, bijvoorbeeld omdat er veel minder insecten in Nederland zijn.’

Beter is het daarom om ook de wortel te ontwikkelen, en dat is ook zijn oproep aan Minister Jaimi van Essen: ‘Minister van Essen, hoewel het gaat om de laatste letter van het ministerie, je gaat niet alleen over stikstof maar ook over natuur. De natuur in de stad kan flink verbeteren als er een wortel komt in de vorm van een subsidie om natuur in de stad te ontwikkelen, net als agrarisch natuurbeheer boeren prikkelt om bijvoorbeeld voorzieningen voor weidevogels te treffen. Van subsidie voor natuurinclusief bouwen profiteren ook andere onderwerpen als klimaatadaptatie, waterhuishouding en gezondheid van bewoners.’

Het volgende KAN Café vindt plaats op donderdag 3 december van 13.00 – 14.00 uur

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.