NHV in de praktijk: afbakening van stedelijke ecosystemen - KAN bouwen

NHV in de praktijk: afbakening van stedelijke ecosystemen

Verslag van de KAN Congres deelsessie over artikel 8 van de Natuurherstelverordening met Corine de Zeeuw (BZK-VRO) en Ties Rijkers (Planalogic) – door Anton Coops

Den Haag wil meer woningen, Brussel wil meer natuur. Dat kan de komende jaren flink gaan knellen, met name in de Randstad. We staan voor de opgave om duizenden nieuwe woningen te realiseren mét behoud van stedelijk groen. En vanaf 2031 moeten stedelijke ecosystemen er aantoonbaar op vooruit gaan. Om die ambities goed met elkaar te kunnen verenigen én monitoren, moet er nu eerst een administratieve legpuzzel van honderden stukjes worden opgelost. In 301 van de 342 Nederlandse gemeenten worden de komende maanden de ‘stedelijke ecosystemen’ nauwkeurig in kaart gebracht. 

Corine de Zeeuw is ‘Coördinator Artikel 8 Natuurherstelverordening’ bij BZK-VRO. Ze doet momenteel een kleine roadshow om de NHV-agenda en de bijbehorende deadlines goed op het netvlies te krijgen bij alle betrokken partijen. Deze KAN-deelsessie is onderdeel van haar tour. Corine begint haar betoog met een korte inleiding over de scope en impact van Artikel 8 van de Natuurherstelverordening, die op 18 augustus 2024 in werking is getreden. De grote lijnen van dat algemenere verhaal zijn ook terug te vinden in dit KAN-artikel en in de presentatie van Corine. Daarna gaat ze vooral in op een praktische kwestie die de komende maanden speelt bij de implementatie van de NHV.

Begrenzing en binnenstedelijke compensatieruimte
Een heel concrete NHV-gerelateerde klus, die 301 Nederlandse gemeenten de komende week op hun bord krijgen, is de lokale definitie van zogenaamde ‘stedelijke ecosystemen’. Om aan de NHV-doelen te kunnen voldoen moet al het groen dat verdwijnt binnen het stedelijk ecosysteemgebied én voldoet aan de definitie ‘stedelijke groene ruimte’ gecompenseerd worden. Als gemeente leg je zo immers vast welk grondgebied straks onder Artikel 8 valt (binnenstedelijk) en welk areaal bijvoorbeeld wordt gereguleerd door Artikel 11 (agrarische ecosystemen). Dat bepaalt ook hoe de omvang van je compensatieverplichting wordt berekend. De begrenzing die je nu overeenkomt, wordt onderdeel van de definitieve versie van het Nationaal Natuurplan.  

Op weg naar het Nationaal Natuurplan
In augustus 2026 is een eerste versie van het Ontwerp Natuurplan ingediend in Brussel. Daar is de Europese Commissie nu op aan het studeren. Ditzelfde ontwerp ligt vanaf begin november voor iedereen ter inzage. De reacties op het ontwerp, de ingediende zienswijzen en de feedback vanuit Brussel worden meegenomen bij het vaststellen van het Definitieve Natuurplan, dat in september 2027 gereed moet zijn.

Tegelijkertijd krijgen gemeenten tot en met februari 2027 de tijd om – in samenwerking met provincies en waterschappen – te reageren op de voorgestelde begrenzingen van stedelijke ecosystemen  

De Europese Commissie hanteert als basis voor deze begrenzingsexercitie de DEGURBA-systematiek (Degree of Urbanisation) van Eurostat. Deze methodiek deelt het grondgebied op in 1×1 km rastercellen. In de dichtbebouwde Nederlandse context leidt dit tot onnatuurlijke en dus onwerkbare grenzen, die dwars door woonwijken, agrarisch gebied en andere logische afbakeningen heen snijden.

Nederland heeft er in het ontwerp Natuurplan voor gekozen om te werken met de minimaal verplichte begrenzing, maar op weg naar het definitieve Natuurplan ligt er nu het verruimde UC/UC+ model als voorstel (zie presentatie p. 14-16). Deze afbakening volgt de contouren van de bewoonde en bebouwde kom en trekt de grens zodanig door, dat ook bedrijventerreinen, utiliteitslocaties, sportterreinen, recreatiegebieden en stadsparken worden meegenomen. Door deze groenrijke en verharde functies binnen je grens te brengen creëer je meer binnenstedelijke compensatieruimte en er komt meer boomkroonbedekking terecht in het stedelijk gebied.

Aan de hand van de casus Rijnenburg (Utrecht) laat Corine vervolgens zien hoe gemeenten zouden moeten kijken naar de huidige grens tussen open gebied en de bebouwde kom. “Als je al weet dat er gebouwd gaat worden op een uitleglocatie, dan adviseren wij de gemeente om toch de bebouwde kom-grens aan te houden en die toekomstige bouwlocatie vooralsnog niet mee te nemen. Want volgens de NHV-regels houdt dat in dat een ‘groen’ gedeelte straks ‘rood’ wordt, en dan moet je het groen dus compenseren. Daarmee creëer je aan de voorkant meteen een compensatieopgave.”

Samen optrekken
Corine de Zeeuw benadrukt dat de overheden samen optrekken bij de implementatie van de NHV. Er wordt nauw samengewerkt met onder andere VNG, IPO en de Unie van Waterschappen: “Het is belangrijk om deze plannen zoveel mogelijk te koppelen aan andere ruimtelijke opgaven die hier baat bij hebben. Denk niet alleen aan de woningbouwopgave en biodiversiteit, maar ook aan klimaatadaptatie, beschikbaarheid van drinkwater en gezondheid. Daarnaast is het ook belangrijk dat buurgemeenten hun plannen goed met elkaar afstemmen.”

In reactie op een aantal kritische vragen uit de zaal benadrukt Corine dat de huidige begrenzings-opgave een sterk administratief karakter heeft, en vooral nodig is om het monitoringsapparaat voor de NHV op te tuigen. Wat betreft de juridische implementatie is het ook goed om te weten dat de ministeries van plan zijn om de Artikel 8-verplichtingen formeel te verankeren als Omgevingswaarde onder de Omgevingswet. Dit wordt nu nader uitgewerkt.

Inzoomen op Deventer
Om meer gevoel te krijgen voor de reële impact van Artikel 8 van de NHV heeft Ties Rijkers (Planalogic) in opdracht van Bouwend Nederland een grootschalige data-analyse uitgevoerd. De werkwijze van Planalogic is dat je een groot aantal stedenbouwkundige varianten doorrekent op kosten, opbrengsten en vierkante meters groen en natuurwaarde, zodat beslissers de slimste oplossingen eruit kunnen pikken. Daarom noemt Ties zichzelf ook wel ‘data-curator’.

Om te beoordelen wat de nieuwe regelgeving zou kunnen inhouden voor de woningbouw-opgave in een stad als Deventer, zijn maar liefst 20.826 programmavarianten doorgerekend op het snijvlak van dichtheid, groenbehoud en grondexploitatie. We kijken naar het transformatiegebied De Schil (2.750 woningen op 35 hectare) en de uitleg- en transformatielocatie Keizerslanden (1.500 tot 2.000 woningen op 44 hectare).

Begrenzingsprincipes: uitzondering, weiland en compensatieruimte

De uitzondering: stedelijk gebied met meer dan 45% groen en 10% kroon kan tot en met 2030 worden uitgezonderd van ‘geen nettoverlies’ regel.

Weiland binnen of buiten de begrenzing: weiland binnen de begrenzing telt mee als stedelijk groen, dus als daar een nieuwe wijk wordt gebouwd geldt dat als een verlies dat de stad moet compenseren. Weiland buiten de begrenzing valt onder de agrarische ecosystemen van Artikel 11, zonder compensatieplicht per project.

Ruimte om te compenseren: hoe krapper de begrenzing, hoe meer het verlies op de locatie zelf moet worden goedgemaakt. Hoe ruimer de begrenzing, hoe meer stoepen, parkeervlakken, gazons en braakliggend terrein elders in de stad beschikbaar zijn om te compenseren.

Afbakenen en compenseren in Deventer
Planalogic heeft een uitgebreid rapport geschreven voor Bouwend Nederland over de casus Deventer, dat binnenkort openbaar wordt. Hieronder geven we een korte samenvatting van een paar belangrijke inzichten.

Eén zo’n inzicht is dat groenverlies in binnenstedelijke inbreidingslocaties niet altijd kan worden opgevangen door uitleglocaties aan de stadsrand. Keizerslanden heeft in de nulmeting van 2024 een hoog groenpercentage van 51%. Alle 6.318 doorgerekende ontwikkelvarianten in Keizerslanden leiden echter tot een netto groenverlies. Het groenpercentage daalt na realisatie van 51% naar zo’n 41%. Lang verhaal kort: er moet groen worden gecompenseerd in De Schil. Maar Keizerslanden kan het groenverlies van transformatiegebied De Schil er in ieder geval niet bij hebben. Met andere woorden: saldering kan in Deventer niet worden afgewenteld op individuele projecten of wijken, maar moet flexibel worden georganiseerd over de hele stad, waarvoor in Deventer zo’n 90 hectare braakliggend of verhard terrein, en 12 hectare te ontharden straatprofiel beschikbaar zijn.

Een ander belangrijk inzicht is dat de varianten met parkeren op het maaiveld financieel het meest aantrekkelijk zijn, maar dat daarvoor in Deventer geen ruimte is. De compensatieplicht zal dus gaan leiden tot “ongemakkelijke keuzes” in parkeren, als je geen andere mogelijkheid hebt om vierkante meters groen te realiseren. “Het past niet meer,” stelt Ties Rijkers.

De take-home message van Ties voor de aanwezige gemeenten is helder: het combineren van de nationale woningbouwopgave met stedelijk natuurherstel is haalbaar mits je kiest voor een slimme ruimtelijke afbakening en flexibele compensatie op stadsniveau in plaats van een rigide focus op de individuele kavel. “Voer dus onmiddellijk 2024-nulmetingen uit op vierkante meter-niveau, kijk goed naar de manier waarop je het stedelijk ecosysteem afbakent en speel daarmee, analyseer welke toekomstige projecten groen weghalen, pas de compensatieruimte slim toe en weeg de kwaliteit van groen ten opzichte van de kwantiteit, want een flinke boom heeft veel meer impact dan een paar kostbare vierkante meters dakgroen,” aldus Ties.  

Reacties uit de zaal
Op het eind van de presentatie komen er naast positieve geluiden ook een aantal kritische reacties uit de zaal. Robbert Snep en Joris Voeten (beiden WUR) kunnen zich niet helemaal vinden in de manier waarop Ties een prijskaartje hangt aan maatregelen als bomen en groene daken. Ook de ecologische samenhang, een groene ‘big picture’ voor de gehele gemeente Deventer, lijkt te ontbreken in zijn analyse. Maar Ties wijst er – terecht – op dat hij slechts een ‘curator’ is die allerlei mogelijke en onmogelijke scenario’s doorrekent. “Uiteindelijk gaat het erom dat je je gezonde verstand gebruikt en mede op basis van dergelijke exercities tot een goed onderbouwde keuze komt,” stelt Ties. 

Het laatste woord is aan Paula Teuben, regisseur VTH natuurbescherming (Provincie Groningen), een reactie recht uit het hart: “Je kunt het ook omdraaien: waarom niet eerst het groen realiseren en dan de bebouwing daarop aanpassen, want er is heel weinig ruimte in Nederland. In Groningen valt het nog mee, maar in de rest van Nederland is het vaak heel krap. Ik denk dat we echt op een andere manier moeten gaan bouwen om zoveel mogelijk groen te kunnen realiseren. Op deze manier zit je nog steeds op het spoor van groen toevoegen in de laatste fase. Dan krijg je dus van die lullige heggetjes en haagjes die vervolgens door de bewoners uit de grond worden getrokken. Dat moeten we echt zien te voorkomen.”

Download: presentatie van Corine de Zeeuw
Foto’s ©HEIJBLOM fotografie

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.